• foto head7
  • foto head8
  • foto head12
  • foto head 13
  • foto head4

De Biest in de Middeleeuwen: Ontstaan van de "Gemeente van de Biest"

Geschreven door Ed van Hees. Gepost in Historie.

Een zeldzame bijzonderheid van Biest-Houtakker is, dat het dorp als enige in Nederland nog steeds beschikt over een deel van de middeleeuwse "gemene gronden", de Gemeynt. De Gemeynt, oftewel "de Gemeente van de Biest", heeft een bijzondere geschiedenis.

In de middeleeuwen hebben in het gebied van De Biest en De Westrik twee hoeves gestaan die eigendom waren van kerkelijke instellingen. Een daarvan stond op de Eekhof, nabij de kruising van de Biestsestraat en de Akkerstraat. Deze was eigendom van de stichting De Godshuizen in Den Bosch. Op 27 augustus 1328 hebben De Godshuizen de rechten op de weidegronden van de Biest en de omliggende woeste gronden en bossen gekocht van Hertog Jan III van Brabant. Deze besloegen iets meer dan het oppervlak van het huidige dorp. Daarvoor moest een geldsom betaald worden, alsmede een "cijns ten eeuwigen dagen" van 25 centen per jaar.

In 1386 raakten Brabant en Gelre met elkaar in oorlog over de begrenzingen van het noordelijke kwartier van de Brabanden, de Meijerij met als hoofdstad 's-Hertogenbosch. In 1388 vielen de bendes van Gelre de Meijerij binnen en brandden vele plaatsen plat, waaronder Boxtel, Oirschot, Oisterwijk, Moergestel en tenslotte Hilvarenbeek met de omliggende gehuchten. De inwoners van Biest trokken zich noodgedwongen terug in hutten in de Goren, het drasland over het stroompje. In de getroffen plaatsen raakten de godshuizen in verval. De rechten op de gemene gronden rond de biest en de bijbehorende schuld voor de aankoop werden overgedragen aan de arme bewoners.

In 1390 gaf hertogin Johanna van Brabant aan de bewoners van de Biest het privilege om op de Gemeynt bomen te planten en te kappen waar de gemeenschap dat passend en nodig achtte, zonder dat daar "houtschat" voor betaald hoefde te worden. Er werd een bosje aangeplant tussen het Spruitenstroompje en de Vossenhol. Hierdoor kwam voor dit gebied de naam De Houtakker in gebruik, die later aan de naam Biest werd toegevoegd.

oudekaartbiest_small

Fragment van een militaire landkaart van circa 1844, waarop De Biest en De Houtakker en de oude school op de Schijf (linksonder, boven "3 Huizen") duidelijk te herkennen zijn.

De aankoopprijs voor de rechten op de gemene gronden was volgens overlevering slechts gering, maar het eenvoudige volk beschikte nauwelijks over geld en ging diep gebukt onder de schuld. Daarom richtten zij in 1399 het verzoek aan hertogin Johanna om 3 bunders grond te mogen verkopen om daarmee de schuld te kunnen aflossen. Johanna stemde toe en daarmee kon de Biest geleidelijk opbloeien.

Johanna legde tevens de grenzen van de Gemeente van de Biest vast en bepaalde dat de gronden beheerd moesten worden door twee "regeerderen" (regenten). Er werd onderling een beëdigd "schutter" - beschermer - aangesteld, later "Veldwachter" genoemd, die op grond van een oud "schut-reglement" waakte over het goede beheer en gebruik van het gemeenschappelijk bezit.

Kapel_WestrikOp de westelijke rand van de Biest, ligt de buurtschap "Westrik" (links boven op de kaart). Dit oude gehucht wordt al in de 12e eeuw in schriftelijke bronnen genoemd en waarschijnlijk stond hier rond het jaar 700 al een kapel. De kapel werd in 1549 met toestemming van keizer Karel V herbouwd en eind 18e eeuw werd een heel nieuwe kapel gebouwd die er nu nog staat. Een deel van de Westrik, de Kleine Westrik, ligt nu nog binnen de grenzen van Biest-Houtakker.

Ook de Westrik beschikte over eigen gemene gronden, waaraan een bijzondere legende verbonden is. In het jaar 1390 reisde hertogin Johanna van Brabant van Brussel naar Den Bosch. Tussen Gorp, dat behoorde tot de heerlijkheid Goirle, en de Biest reed de koets van Johanna in het nachtelijk duister vast in het moeras bij het Donkven. De begeleiders trokken naar de buurtschap Breehees bij Goirle om hulp te vragen. Daar werden ze echter door de boeren weggejaagd. Teruggekeerd op de onheilsplek trokken ze vervolgens naar het oosten om daar hulp te zoeken en zo belandden ze in de buurtschap Westrik waar de boeren wel bereid waren om te hulp te komen. Teruggekeerd in Brussel beloonde Johanna de boeren van de Westrik door hen een grondstuk van ruim 64 hectaren tussen Gorp en de Westrik te schenken. Als gedenkteken hiervan richtten de bewoners van de Westrik een groot houten kruis op, dat er nu nog staat nabij de daarnaar vernoemde Kruishoeve.

De oorkonde van de schenking is vijf eeuwen op de Westrik bewaard gebleven. De gronden genaamd de Goirlesche Weide en De Donk zijn in 1911 verkocht aan de eigenaar van het landgoed Gorp voor 29.150 gulden, die werden belegd bij de staat. De opbrengsten werden elk jaar besteed aan een mis voor de hertogin en haar nazaten in de kerstnacht, en een koffietafel voor de buurtschap. Enkele jaren geleden is hier een einde aan gekomen omdat de pot op was.